''Besef wel dat voorafgaand aan de betekenis die vervat
ligt in de taal, voorafgaand aan de emotie die verbreid wordt door het lied, de
stem allereerst uit haar lichaam komt, uit haar fundament, haar basis, haar
verbinding met de aarde, haar houvast, haar dierlijke greep op de grond via de
voetzolen, haar koppeling aan lange wortels via de tenen; dat uit een of andere
chtonische stroom een gloeiende bron opstijgt langs de kolommen van botten en
spieren, door benen, dijen, billen, buik- en borstholte tot aan de
schoudergordel; dat je stem alleen iets zal zeggen, iets zal betekenen als ze
haar diepe inspiratie uit die basis haalt.''
Michel Serres in: Muziek. Pg. 12
Ik luisterde naar de man die drie dadels gaf. Zijn woorden hadden mijn
aandacht. De woorden uit een onbekende wereld. Als ik nu bovenstaande woorden van Serres lees, begrijp ik dat de woorden er eigenlijk
niet zo toe deden. Het was de onbekende wereld waar de woorden vandaan kwamen,
die achter de woorden schuilhoudt. De woorden van de dadelgever Abdul ontstonden
vanuit zijn voetzolen. De voetzolen die uitputting voelden op de droge grond.
De woorden die hun weg vervolgden door de benen die de twee bergen beklommen en
zeven maal om de steen liepen. De woorden die dan zijn hart hebben geraakt van het
in vervulling komen van zijn opdracht in het leven: de bedevaart lopen. De
woorden dragen het gevoel waarnaar je luisteren kan.
Serres schrijft in zijn boek Muziek vanuit drie verschillende visies over de
betekenis van muziek en geluid in onze wereld. Hij ziet het als een reis, een
reis die hij drie keer maakt langs dezelfde muzikale rivier. De eerste reis is
van mythische aard, met Orpheus. Orpheus ontmoet een oude heks: de Geheugenis.
De heks beschrijft de drie verschillende soorten ruis die als orde zouden
heersen binnen de chaos van al het tumult:
''.. verschillend
maar met elkaar verbonden, onontwarbaar met elkaar vermengd. Allereerst en
voortdurend de witte ruis, de grondruis van de wereld; dan de intense en
zeldzamer ruis van al wat leeft, en ten slotte de ruis van de samenlevingen,
die overal en blindelings op zoek zijn naar betekenis.''
Michel
Serres in: Muziek. Pg. 18
Nadat de Geheugenis deze kennis aan Orpheus voorlegt, begint Orpheus te
luisteren naar het lichaam van de mensen (..stampen van hun voeten, vroegtijdig
kloppen van een hart, de pols van een vuist..) Dan naar de wereld (zachte
trillende donder van de aardschokken, kolken van de rivieren..) Ten slotte luistert
hij naar de mensentalen. De spraak zou (te) dik aan het lichaam kleven volgens
Orpheus. De gesproken mensentaal maakte hem doof voor de andere twee ruizen.
Hesse
schrijft het volgende over onze taal:
''Woorden doen afbreuk aan
de verborgen zin, direct wordt alles immers een beetje anders wanneer het
eenmaal uitgesproken is, een beetje vervalst, een beetje onzinnig ja, en ook
dat is heel goed, en ook dat vind ik prachtig, ook daarmee ben ik het helemaal
eens, namelijk dat wat voor de ene mens de hoogste wijsheid is, de andere
altijd als dwaasheid in de oren klinkt.''
Herman Hesse in: Siddharta. Pg. 183
De woorden zullen wel om ons mensen lachen. Ze kunnen ons veel zeggen en
tegelijkertijd kunnen ze ons veel ont-zeggen. Hoewel ze uit de mond komen,
hebben woorden macht in handen. Maar wij mensen zijn degene met déze handen en
kunnen besluiten wat met deze handen te doen. Leggen we onze handen op onze
oren om het stromen van ons bloed daarin te horen, zwaaien we naar de sterren
boven ons of schudden we met deze hand de hand van de jarige buurvrouw om haar te feliciteren?
Uit de Lucht
Luister,
het is goed zo-
Zo- zoals het nu is.
Luister maar,
je zal het wel horen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten