Zeker vier al dan niet vijf keer langzamer dan ik gewend ben. Ik zal vertragen.
De
bomen blijven staan en ook ik blijf nu staan, zo lijkt het dan.
Stap voor stap kom ik maar heel langzaam vooruit. Werkelijk een wereld van
verschil. De bomen heten mij welkom in deze wereld. Het gras wuift mij naar mij.
Ik durf niet terug te wuiven. Het warme ontvangst moet ik even op mij laten
inwerken. Het is eng, het is nieuw. Deze wereld is een wereld zonder ogen, het
leeft zonder zichzelf te zien.
Ik
zoek mij een houding. Al is deze weg rustig, toch kom ik een aantal mensen
tegen. Waar laat ik mijn ogen vallen? Ik zoek naar een manier hoe ik mij toch
nog op een normale wijze kan gedragen. Ik beeld mij namelijk zo in dat deze
mensen vraagtekens hebben bij de vertrageling die ik hier ben. Gewoon langzaam
lopen voelt alles behalve gewoon. Alsof ik de wereld nog niet eerder zou hebben
gezien. Een rare wereldbewondeRaar?! Ik zet de vraagtekens zelf bij de mensen in
het hoofd. Wie weet denken de mensen alleen maar aan hun eigen leven, dat ze nog een
afspraak moeten maken bij de kapper. En daarnaast, onzekerheid nergens voor
nodig, ik heb reden tot vertraging: de wereld die mij nu zo verschijnt heb ik
namelijk nog helemaal niet gezien. Al denk ik vaak dat ik het allemaal wel ken,
op het moment van het zien is alles nieuw.
Zonnestralen
vallen zomaar. Het water loopt naast mij, tegengestelde richting op: het is een
blijvende ontmoeting.
Wanneer ik weer alleen ben op de rechte weg kan ik mij opnieuw concentreren op
het lopen. Op dat moment heb ik het welkom van de bomen en het gras kunnen ontvangen. Even
ben ik deel van de zwijgende-wereld. Het gras is niet langer meer gras: het
zijn tal van verschillende grassprietjes. De boom is in deze wereld niet de
boom: het zijn kronkelende vormen en groene kleuren. De koeien kijken mij met
grote ogen aan; zij zijn niet deel van de zwijgende-wereld, maar kunnen deze
wereld wel verstaan, zo concludeer ik dan. Zij staan namelijk stil op de
aardegrond. Het kan niet anders dan dat ze luisteren naar het wuivende gras, de
vallende zonnestralen en het wandelende water. Toch, ook zij hebben ogen: zij
zien en worden gezien.
Mijn
voetstappen laat ik vallen. Mijn benen worden door het leven vooruitgeschopt.
Het leven laat mij lopen. Als ik mij overgeef laat het leven mij sneller lopen.
Zo langzaam als ik loop, loopt het niet menselijk. Mensen zijn passanten op
deze wereld, net als de koeien. Wij passanten, voorbijgangers, leven in een
rapper tempo dan de bomen. De bomen zullen het wel begrijpen. Wij mensen hebben
haast. We willen iets van het leven zien of het is het leven dat ons iets wil
laten zien. De bomen hebben de tijd wel, en dat weet het leven.
Uit de Lucht
Er rijdt een vrachtwagen voorbij.
De bomen zwaaien en blijven zwaaien-
totdat de wagen terugkeert
en aan de bomen zal vertellen wat het gezien heeft.
Daar waar de bladeren niet kijken konden, de wagen wel rijden kon.
-ach was de
wagen vergeten te vragen- wat de bladeren vandaag allemaal zagen..

Geen opmerkingen:
Een reactie posten